• natalie02b

Artsen in het land van de Taliban

Geplaatst door op in Reportages

(c) Ton KoeneOp het slagveld van Zuid-Afghanistan proberen medici van Artsen zonder Grenzen te redden wat er te redden valt in Boost ziekenhuis. Schotwonden, afgerukte ledematen: de constante stroom burgerslachtoffers toont de gruwelijke keerzijde van de oorlog tegen terrorisme.

LASHKARGAH - Het vliegtuig met westerse dokters aan boord maakt een duikvlucht zodra de landingsbaan in Helmand in zicht is. ‘Het is voor uw eigen veiligheid', heeft de piloot even daarvoor gezegd. Dit heet tactisch vliegen in oorlogsgebied.

Door Natalie Righton
Foto: Ton Koene (Slachtoffertjes van het geweld in Afghanistan worden behandeld in het Boost ziekenhuis in Lashkar Gah, Helmand)
Dit artikel werd op 21-06-2010 gepubliceerd in de Volkskrant.

In een steile cirkelbeweging stuurt de piloot de twaalfzitter richting de Afghaanse woestijngrond. Artsen en verpleegkundigen van hulporganisatie Artsen zonder Grenzen omklemmen hun armleuningen. Zweetdruppeltjes hier en daar: Een week eerder is hier een NAVO-helikopter door Taliban uit de lucht geschoten.

Even later staan de medici in de zinderende hitte van 50 graden Celsius op de landingsbaan van Lashkar Gah, de hoofdstad van de Zuid-Afghaanse provincie Helmand en slechts kilometers verwijderd van de plek waar nu een van de bloedigste episodes van de oorlog tegen het terrorisme wordt uitgevochten. Britse en Amerikaanse militairen jagen er sinds februari intensief op Taliban en vice versa. De 1 miljoen burgers in Helmand zitten gevangen in het kruisvuur. Velen durven hun huizen niet uit. Wie dat wel doet, loopt grote kans op een bermbom te stappen of geraakt te worden door een kogel.

In het land van de Taliban zijn Afghaanse artsen aanwezig, maar de kwaliteit is dusdanig, dat ze hulp krijgen van negen hulpverleners van Artsen zonder Grenzen. Een paar uur na hun duikvlucht lopen de hulpverleners van Artsen zonder Grenzen al hun eerste rondes door het Boost ziekenhuis. Op de achtergrond is het geluid te horen van overvliegende gevechtshelikopters en geweervuur.

De Belgische chirurg Martial Ledecq (62) bezoekt als eerste de intensive care. Schotwond na schotwond, amputatie na amputatie komen voorbij. Mannen met baarden liggen na hun operatie op bebloede lakens bij te komen. Op de kinderafdeling is het moeilijk niet van slag te raken, zelfs voor de ervaren chirurg die eerder werkte in Irak en Libanon. Peuters en kleuters met afgerukte ledematen en verbrande lichamen gillen van angst en pijn op hun bedjes, terwijl hun moeders naast hen huilen en elke medicus aanklampen die voorbijkomt.

Bermbomslachtoffer
Mohammad Nabi (8) is een bermbomslachtoffer. Martial onderzoekt zijn hoofd - het jochie heeft een schedelbasisfractuur - en zijn bekken, waar een stalen constructie zijn botten bijeen houdt. Waar Mohammads rechterbeen zat, prijkt een stomp. De nietjes om de wond te dichten lopen van zijn bovenbeen tot aan zijn borstkas. Mohammads moeder kermt van wanhoop en smeekt om hulp voor haar zoontje. Er komt pus uit zijn wonden, wijst ze aan. Martial besluit met zijn Afghaanse collega's dat het nodig is de wonden onder narcose schoon te maken, wil Mohammad kans hebben op overleving.

Tussen de onderzoeken door vertelt de moeder snikkend wat er is gebeurd. Negen dagen eerder reed ze met haar drie kinderen en haar broer met een motorfiets op een bermbom in het district Sangin. ‘We waren bijna thuis, toen er ineens een grote klap was. Mijn jongste kinderen en mijn broer lagen uiteengereten op de grond, dood. Alleen Mohammad en ik leven nog', allebei missen ze een been. Ze geeft de Taliban de schuld van het plaatsen van de bermbom. ‘Ze hebben mijn leven verwoest.' De tranen vloeien over haar wangen.

Buiten spelen
Omgekeerde verhalen zijn er ook voldoende. De 10-jarige gewonde Tilah is volgens haar oma beschoten door Amerikaanse soldaten. Tilah zat met haar ouders thuis in Marjah, toen er rond hun erf een gevecht uitbrak tussen Amerikanen en Taliban. Nadat het geluid was gestopt en de familie de kust veilig achtte, ging Tilah naar buiten om te spelen. ‘Ik was niet bang om naar buiten te gaan, er wordt bij ons in de buurt heel vaak gevochten', zegt het meisje. Maar kort daarna wordt ze geraakt door ‘Amerikaans vuur', zegt oma. In Tilahs rechterknie en bovenbeen zitten kogelgaten.

Dokter Martial luistert naar de verhalen, maar geeft geen commentaar. Hij is niet naar Afghanistan gekomen om een politiek oordeel te vellen, zegt hij 's avonds bij een bord eten na een lange dag werken. Artsen zonder Grenzen is onpartijdig. Wie wie heeft neergeschoten of opgeblazen, kan hem niet schelen. De ziekenhuisdeuren staan open voor iedereen: burgers, Taliban, militairen, agenten. Er zijn maar twee regels: wapens mogen niet naar binnen en patiënten mogen niet worden gearresteerd. Het ziekenhuis moet letterlijk neutraal zijn, waar patiënten zich veilig voelen.

Die veiligheid is niet vanzelfsprekend, ook niet voor de westerse hulpverleners zelf.
Het leven van de artsen in de frontlinie is beperkt tot het ziekenhuis en hun huis. Maanden achtereen leven ze achter gesloten deuren, over straat lopen is niet toegestaan, de bazaar bezoeken mag evenmin. In de achtertuin van het huis is een bunker, waar ze kunnen schuilen als de situatie om hen heen al te explosief wordt. In de afgelopen negen maanden was dat eenmaal nodig. Tijdens het avondmaal, als de artsen en verpleegkundigen met elkaar kletsen, scheren gevechtvliegtuigen over. 's Nachts zijn er regelmatig explosies te horen.

Nepbom
De weldoeners worden soms bedreigd. Zo werd er onlangs een nepbom gevonden op het ziekenhuisterrein - duidelijk een waarschuwing, zegt de Duitse projectcoördinator Volker Lankow. Maar van wie? Dat is niet duidelijk. Jaloezie van lokale Afghaanse artsen is volgens hem ook een potentieel veiligheidsprobleem. Zij runnen naast hun werk in het ziekenhuis, waar hulp gratis is, ook hun eigen privéklinieken, waar grof geld moet worden betaald door patiënten. In zekere zin is het gratis hospitaal dus broodroof.

Toch lukt het de westerse medici tot nu om zonder kleerscheuren te werken in het oorlogsgebied. Dat komt vooral door zorgvuldig overleg van de landencoördinator van Artsen zonder Grenzen met alle strijdende partijen in het gebied. Op een ‘geheime lokatie' werd uren- en dagenlang thee gedronken en gepraat met Talibancommandanten, om hen te overtuigen van de noodzaak van medische hulp in Zuid-Afghanistan. In Helmand zelf worden stamleiders regelmatig bezocht om het werk en de onpartijdigheid van het medische werk uit te leggen.

Het is een strategie die werkt, blijkt alleen al uit de verhalen van patiënten op de spoedeisende hulp. Saad Mohammad komt met zijn zwangere vrouw in boerka voor hulp, en raakt niet uitgesproken over hoe blij hij is met Artsen zonder Grenzen in de stad. ‘We zijn heel blij dat ze hier werken. De kwaliteit van zorg is hier beter dan elders.' Hij is overigens geen fan van buitenlanders, ‘begrijp hem niet verkeerd', maar een sympathisant van de Taliban, voegt hij toe. ‘Het was veel veiliger in Helmand toen de Taliban het voor het zeggen hadden. We zijn blij als de Amerikaanse militairen vertrekken.' Maar Artsen zonder Grenzen moet blijven, vindt hij.

Fragiel
De relatieve steun van de bevolking van Helmand voor Artsen zonder Grenzen kan echter omslaan, weten ook de hulpverleners. De sympathie is fragiel. Bij de uitgang van het ziekenhuis loopt op een dag een man met tulband kwaad weg met zijn vrouw, ondertussen een röntgenfoto verscheurend. Hij werd naar eigen zeggen van het kastje naar de muur gestuurd, en weet niet meer waar hij moet zijn. De boosheid van de man is riskant. Het ziekenhuis wordt weliswaar gerund door Afghanen (ruim 200 artsen, verpleegkundigen en andere medici), maar de kans dat de buitenlandse artsen op de gebrekkige service wordt aangekeken is niet ondenkbaar.

Riskant is ook het moment waarop een baby sterft op de kinderafdeling. Tranen rollen over de wangen van een vrouw met omhooggeslagen boerka. Een lokale verpleegster komt toegesneld. In plaats van de moeder te troosten of uit te leggen waaraan het kind is bezweken, begint ze met het opruimen van de zuurstofapparatuur. De moeder wikkelt het dode jongetje eigenhandig in een doek en druipt verdrietig af met haar echtgenoot. Er is niemand die hen te woord staat. Op dat moment is er geen buitenlandse arts of verpleegkundige aanwezig.

Onder hulpverleners van Artsen zonder Grenzen heerst frustratie op momenten dat ze met zijn negenen niet de zorg aan patiënten kunnen leveren die ze willen. Hoofdschuddend kijkt de Nieuw-Zeelandse operatieverpleegkundige Raewyn Turner toe hoe haar Afghaanse collega's een operatie voorbereiden.

‘Hebben we alle instrumenten? Gaas?', vraagt ze aan haar lokale collega's. Snel worden nog wat spullen gehaald. Raewyn staat erop dat de vloer gezwabberd wordt voordat de volgende patiënt komt. ‘Soms schrik ik echt van wat ik zie', zegt ze. Maar er is volgens de verpleegster al veel verbeterd. ‘Toen ik hier net was, legden ze de patiënt zo op de operatietafel waar het bloed van de vorige nog oplag. Dat doen ze niet meer.'

‘Er zijn problemen, zeker', zegt de projectleider Volker Lankow van Artsen zonder Grenzen in Helmand. ‘Maar laten we niet vergeten dat dit oorlogsgebied is. Toen we hier negen maanden geleden begonnen, waren er geen gratis medicijnen en ging het ziekenhuis rond het middaguur dicht, omdat veel medici naar hun eigen privéklinieken ging. Wij hebben met de ziekenhuisdirectie een rooster kunnen opstellen waardoor het ziekenhuis 24 uur per dag bemand is. En alle hulp, inclusief medicijnen, is nu gratis.' De inwoners van Lashkar Gah is het niet ontgaan. Sinds januari is het aantal opnames verdrievoudigd, tot 300 per week. Het aantal chirurgische ingrepen verviervoudigde.

Fruitkarren
Dat hulp nog steeds hard nodig is, bleek dit weekeinde. Zondagochtend werden bewoners in Lashkar Gah opgeschrikt door twee explosies. Bermbommen verstopt in zakken en fruitkarren, zeggen ooggetuigen. De medici van Artsen zonder Grenzen zijn net in het ziekenhuis als de eerste gewonden binnenkomen. Er is chaos, paniek.

Een meisje sterft (Fatima, 4), een jongetje bezwijkt (Ahmed Shah, 5), de 25-jarige Jamilia redt het ook niet. Een ander kind komt binnen met een weggeblazen schouder, ten minste twintig gewonden worden binnengedragen door schreeuwende familieleden. Bloed overal. Op de grond, op kleren. Mensen roepen en smeken. Het gegil gaat door merg en been. Het is het macabere gezicht van de oorlog in Afghanistan. 


KADER: Gratis medische hulp
Het Boost ziekenhuis in Helmand, met 150 bedden, is de enige gratis kliniek in de 1 miljoen zielen tellende provincie. Het biedt naast chirurgie, spoedeisende hulp en kindergeneeskunde, ook gynaecologische hulp. Het is een van de weinige plekken waar vrouwen terecht kunnen voor een keizersnede of andere hulp bij een gecompliceerde bevalling.

Gemiddeld worden er vijftig baby's per week geboren in het Boost ziekenhuis. Voor de komst van Artsen zonder Grenzen, waren dat er dertig.

Vroedvrouwen van Artsen zonder Grenzen vertellen over de schrik wat ze bij aankomst aantroffen op de kraamafdeling. Oude bloedspetters op de grond en lakens. Elke naald, elk medicijn of infuus die de vrouwen nodig hadden, moest eerst door familie op de bazaar gekocht worden. Gebruikte handschoenen lagen te drogen op de vuilnisbak. Er was geen warme plek voor pasgeboren baby's. Meegekomen familieleden liepen in en uit de verloskamer. Samen met lokale collega's proberen de vroedvrouwen nu de normen voor hygiëne te verhogen. Alle medicijnen en spullen nodig voor de bevalling zijn inmiddels gratis.

Een groot probleem is nog altijd dat veel Afghaanse vrouwen in barensnood te laat naar het ziekenhuis komen. Door de oorlog durven ze het geweervuur en bermbommen niet te trotseren. Volgens de Afghaanse cultuur is het bovendien gewoon om thuis te bevallen.

Vorige week nog kwam hulp te laat voor een vrouw die pas twee dagen na haar bevalling in het ziekenhuis aankwam met een placenta die niet los wou laten, vertelt vroedvrouw Fatima. ‘Ze wilde een dag eerder komen, maar omdat kogels rondvlogen voor haar huis, is ze thuisgebleven. Een dag later lukte het wel om te komen, maar de jonge vrouw was toen al doodgebloed.' De echtgenoot blijft achter met zes kinderen.