• natalie02b

Geen enkel verhaal is een leven waard, toch?

Geplaatst door op in Reportages

(c) Ton KoeneHoe doe je als westerse vrouw verslag over Afghanistan? Natalie Righton vertelt over haar leven als correspondent. 'Ik heb net Engels gesproken, dat verraadt me.'

Afghanistan-correspondent zijn is een spannend beroep, maar ook behoorlijk stressvol. Vorige week kwam ik na een verlofperiode in Nederland terug in Afghanistan en het eerste wat me overkomt: ik hoor een bom afgaan. Direct zit ik weer in de oorlog.

Tekst: Natalie Righton
Foto: Ton Koene (Natalie in boerka in Afghanistan)
Dit artikel werd op 17-03-2012 gepubliceerd in de Volkskrant


Een normale menselijke reactie is om van de bom weg te rennen natuurlijk, maar als journalist doe ik soms precies het tegenovergestelde. Ik ren naar de plaats van de explosie. Het is op het randje van mijn eigen veiligheidsregels en die van de krant.

Zo'n bom die een gebouw opblaast en alle ramen eruit doet vliegen, geeft een diep, laag geluid - boeffff - en dreunt een paar seconden na. In die seconden gaat een mechaniekje in mijzelf af dat me in beweging brengt. Eerst is er de adrenalinescheut die je qua gevoel kunt vergelijken met die eerste vrije val in de achtbaan: het zet al je sensoren op scherp. Direct daarna flitsen vragen door mijn hoofd: Ben ik gewond? Wat zijn mijn overlevingskansen? Waar is de nooduitgang?

Waar zijn de lijken?
Eentiende seconde nadat ik de explosie heb gehoord, ren ik mijn hotel in Kunduz uit - even denk ik nog dat ons gebouw is geraakt. Buiten scan ik razendsnel mijn omgeving: geen lijken of schreeuwende mensen te zien. De explosie was kennelijk toch verder weg. 'Waar kwam die boem vandaan?!', roep ik tegen mijn vertaler Hamza (niet zijn echte naam), die met mij naar buiten is gesprint.

Ik speur in de lucht naar een rookpluim. 'Daar! Daar!', zegt de opgewonden hotelbewaker en wijst naar links. Mijn journalistieke nieuwsgierigheid wint het snel van mijn angst. 'Let's go!', zeg ik tegen Hamza. Samen rennen we de hotelpoort uit, linksaf. Ik voel mijn schoenen grip krijgen op het asfalt, sneller, sneller. Hamza rent rechts van me mee. 'Heb je je perskaart bij je?', roept hij.

Over het antwoord hoef ik niet te twijfelen: die heb ik altijd bij me. Net als mijn tas met daarin drie telefoons (waarvan één satelliettelefoon), een paspoort, creditcard, voldoende cash, lijst met noodnummers, kladblok en een stuk of tien pennen.

Al rennend grijp ik naar een van mijn mobiele telefoons in mijn tas en maak een sms af die ik even daarvoor bezig was te typen naar een collegajournalist in Nederland. 'Grote boem hier.' Zodra ik op 'versturen' klik, realiseer ik me dat ik daarmee misschien de indruk wek dat ik gewond ben. 'Ik ben oké', typ ik er achteraan, mijn pas even inhoudend om de knopjes op mijn Blackberry-telefoon goed te raken.

Ongeveer honderd meter verder wringt Hamza zich door de nieuwsgierig toegestroomde groep Afghanen. Als ik langs de tulbanden en boerka's ben, zie ik het: zwaar beschadigd gebouw, al het glas is uit de ramen geknald. Had ik het toch goed gehoord. Een paar mensen rennen het gebouw uit. Ik zie geen lichamen. Zouden die binnen liggen?

Stevige laarzen
'Wat is er gebeurd?', vraag ik via Hamza aan een groepje Afghaanse jongens dat staat te kijken. 'Een aanslag op een invloedrijke Afghaan. Hij werd geraakt door een bom op straat', zegt een van hen. 'Waarschijnlijk geen buitenlanders geraakt', zegt Hamza. Ik weet niet zeker of hij dit vertaalt of zelf concludeert. Ik zie in elk geval ook geen westerse militairen of voertuigen om me heen.

Ik werk nu ruim een jaar met Hamza en realiseer me dat hij hetzelfde is gaan denken als ik: buitenlanders gewond in Kunduz levert meestal meer nieuws op voor de Volkskrant dan dode Afghanen. Hoe afschuwelijk die journalistieke wetmatigheden ook zijn. Ergens in mijn achterhoofd zat vandaag de gedachte dat het om een aanslag op westerlingen ging, als wraak op de recente koranverbrandingen.

Hamza en ik staan nu vrij dicht bij het gehavende gebouw. Een eenzame politieagent probeert tevergeefs tientallen nieuwsgierigen op afstand te houden. Op de achtergrond hoor ik politiesirenes naderen. Glasscherven kraken onder mijn voeten. Wat ben ik blij met de stevige laarzen die ik draag. Je weet maar nooit in welke rotzooi je in Afghanistan terecht komt, zeg ik wel eens tegen mensen die vragen naar mijn robuuste schoeisel.

Ik word bang
Ik kijk om me heen naar de toeschouwers en realiseer me dat de kans op een tweede bom groot is. Ik scan de groep op verdachte mensen met mobieltjes in hun hand. Die fungeren vaak als afstandsbediening voor een explosief. Er is niemand die er in mijn ogen uit springt als verdacht.

Ik val juist wel op. Hoewel ik met mijn donkere haren en ogen kan doorgaan voor een Afghaanse en ik uit veiligheidsoverwegingen altijd Afghaanse kleding met hoofddoek draag, zal het niet lang duren voordat iedereen hier ziet dat ik buitenlander ben. Ik loop te rechtop en zelfverzekerd voor een Afghaanse vrouw, heb ik vaak gehoord. Bovendien heb ik net Engels gesproken met Hamza, dat verraadt me.

Ik word plots bang. Ik sta te dichtbij. Als buitenlander zou ik mooie bijvangst zijn voor een tweede bom. Ik kijk weer om en zie Hamza nóg dichter naar het gebouw toe lopen. 'Hamza, kom terug!', roep ik. Zo snel als ik naar de bom toe wilde, zo snel wil ik ineens weer weg.

De tweede bom
Mijn zelfopgelegde veiligheidsregels komen weer in me op: niet te lang rondhangen na een bom. Blijf op gepaste afstand. 'Hamza, we gaan, niet veilig hier!' We kennen elkaar goed. Door de manier waarop ik iets zeg, weet hij dat het ernst is. Direct komt hij terug lopen om me weer uit de menigte te loodsen. Dat lukt niet meteen.

De politieauto's zijn gearriveerd. Er ontstaat een chaotische situatie met schreeuwende Afghanen, sirenes, geduw en getrek. Zo'n honderd toeschouwers, vier politieauto's en een buitenlander. Dit is het ideale moment voor de tweede bom.

Hamza, die ongeveer honderdtwintig kilo weegt, herkent het gevaar en duwt zich nu ruw door de menigte heen. Met mij een halve meter achter zich aan. Ik verwacht nu elk moment een tweede knal. 'Daar komt ie, daar komt ie', denk ik. Maar de knal blijft uit. 'Dat was niet veilig, goed dat we zijn weggegaan', zegt Hamza als we even later twintig meter buiten de groep kijkers staan. We zuchten allebei.

Rare blik
Ik praat nog met wat ooggetuigen en pak mijn kladblok. Dit trekt altijd aandacht. Bijna niemand hier kan schrijven. Het moment waarop ik letters opschrijf, van links naar rechts in ons Latijnse schrift, weten ze het zeker: buitenlander.

Dat ik een buitenlandse journalist ben is normaal niet zo gevaarlijk in Kunduz (daar hebben weinig Afghanen of Taliban moeite mee), maar na de recente koranverbrandingen weet ik niet precies hoe mensen op mij als westerling zullen reageren. Misschien willen ze wraak nemen.

Als ik nog een vraag stel aan een bebaarde man, wil Hamza plotseling weg. 'Beter als we nu gaan!', zegt hij en hij trekt aan mijn mouw. Dat doet Hamza nooit - in Afghanistan is het ongepast als een man een vrouw publiekelijk aanraakt. 'Wat was er mis?', vraag ik als we verder lopen. 'Het voelde niet goed hoe omstanders naar je keken.' We zijn een goed team: soms houdt hij mij scherp om ergens weg te gaan, soms doe ik het omgekeerde.

Mannelijke begeleider
Ik loop vrijwel nooit alleen over straat in Afghanistan, maar altijd met een 'mannelijke begeleider'. Dat klinkt wat romantischer dan het is. De begeleider is vaak een Afghaanse vertaler die voor mij werkt, zoals Hamza. In Kunduz is dit nodig omdat daar het kidnaprisico reëel is (vooral buiten de stad). Mijn vertaler kijkt en luistert continu of Afghanen over mij praten.

Als ik alleen over straat loop in Kabul - wat ik soms doe, bijvoorbeeld om boodschappen te doen - krijg ik onherroepelijk te maken met lastige Afghaanse jongemannen. Ze vinden het idee van een loslopende westerse vrouw zo opwindend dat ze me de weg versperren op de stoep om met me te praten of mijn arm aan te raken. Om grijpgrage handjes te vermijden, neem ik in Kabul inmiddels meestal ook een vertaler of een westerse collega-journalist mee.

Vrije vrouw
De enige momenten dat ik mij in Afghanistan een echt vrije westerse vrouw voel, is als ik in de ommuurde tuin van mijn huis in Kabul rondloop of als ik naar een 'westers restaurant' ga. Daar kan mijn hoofddoek af en kan ik een (illegaal) glas wijn drinken na een stressvolle dag met een bomaanslag. Natuurlijk doen het prikkeldraad op de muren en de bewakers voor de deur mij wel beseffen dat het niet echte vrijheid is.

Toch leef ik in vele opzichten veel vrijer in Kabul dan Nederlandse diplomaten of militairen. Zij wonen vrijwel permanent achter hoge muren en spreken - tenzij ze gewapend zijn - zelden met een gewone Afghaan. Alleen een brood kopen op de hoek van de straat en daar een babbeltje maken met de bakker zit er voor hen niet in. Samen met een vertaler door sloppenwijken lopen om te zien hoe Afghanen deze winter bijna verhongerden en dood vroren: ze kennen de ervaring niet. Daardoor staan ze ver van de realiteit af. Als journalist prijs ik mezelf gelukkig dat ik deze Afghaanse werkelijkheid wel ken.

Verkocht door een vertaler
'Hoe kom je eigenlijk aan een betrouwbare vertaler?', vragen mensen mij vaak als ik vertel over mijn werk als Afghanistancorrespondent. Journalisten raden elkaar mensen aan. Hamza werkte voorheen met een Duitse journalist die Afghanistan inmiddels heeft verlaten. Hamza heeft door jarenlange samenwerking bewezen betrouwbaar te zijn.

Een groot risico is dat een zogenaamde vertaler mij 'verkoopt' aan ontvoerders, die vervolgens losgeld eisen van de krant. Dit aanbod heeft Hamza overigens wel eens gekregen voor het uitleveren van Duitse journalisten. Hamza sloeg het aanbod af. Hij beschouwt zichzelf als vrome moslim die eerlijk zijn geld wil verdienen.

Het is vooral een onderbuikgevoel dat ik Hamza kan vertrouwen. Hoewel hij in vele opzichten het tegenovergestelde is van mij (streng moslim en fel voorstander van de shariawetgeving), is hij tegelijk erg liberaal. 'Jij bent van een andere cultuur, voor jou gelden andere regels', zegt hij wel eens. Terwijl hij zijn eigen Afghaanse vrouw als ondergeschikte ziet, noemt hij mij 'Big Boss'. Hij vindt het prachtig om verhalen te horen over die andere wereld waar ik vandaan kom.

De juiste vertaler
Een andere veiligheidsoverweging om met Hamza te werken, is dat hij Pathaan is. Dat is de bevolkingsgroep waartoe ook de meeste Taliban behoren. Hamza spreekt letterlijk hun taal. Hij weet hoe die jongens denken. Voor Kunduz, waar Taliban actief zijn, is dat onmisbare kennis om veilig te kunnen werken.

Hamza is niet alleen mijn vertaler, hij fungeert ook als bewaker. Zijn postuur helpt mee, maar ook zijn afkomst. Als lokale mensen op straat lastig tegen mij doen, dreigt Hamza. 'Je weet wat Pathanen doen als je hun eer schendt door aan hun gasten te komen, hè? Eerwraak!' De lastige mensen druipen dan af. Hamza en ik kijken elkaar daarna meestal aan en proesten het uit van het lachen. Maar ik weet dat het waar is: Hamza zal mij vermoedelijk tot de dood toe beschermen. Zijn Pathaanse familie-eer hangt er vanaf.

Uren voorbereiden
Mooie verhalen schrijven als correspondent klinkt voor sommigen avontuurlijk en romantisch. Maar wat velen zich niet realiseren, is dat ik ongeveer 70 procent van mijn tijd besteed aan het verzamelen van informatie over veiligheid en logistieke zaken. Zoals het regelen van betrouwbare vertalers, hotels, vervoer, geld, visum en een internetverbinding.

Zo heb ik de eerste keer dat ik naar Kunduz reisde uren telefonisch overlegd met mensen die langs de autoweg van Kabul naar Kunduz wonen. Samen met een vertaler hing ik boven een landkaart: gevaarlijke stukken weg markeerden we met een rode stift. Op die stukken draag ik inmiddels meestal een boerka zodat Taliban niet zien dat er een buitenlander in de auto zit.

Oorlog onder mijn huid
Mijn continue staat van alertheid in Afghanistan beschrijf ik aan Nederlandse vrienden wel eens als een tintelend gevoel in mijn armen. De oorlog onder mijn huid, noem ik dat. Als ik in Nederland ben besef ik meestal pas hoe vermoeiend het is om altijd scherp te blijven: de eerste dagen van mijn verlof slaap ik uren en uren achtereen.

De meeste journalisten die ik ken pakken hun bezoek aan Afghanistan overigens anders aan: zij reizen voornamelijk met het Nederlandse leger in Kunduz rond en logeren ook bij hen op de militaire basis. Ik doe dat soms, maar meestal niet. Door alleen te reizen, hoop ik onafhankelijk verslag te doen. Je krijgt nou eenmaal een eerlijker antwoord van een burger over wat hij van Nederlandse militairen vindt als er geen soldaat met een wapen naast je staat tijdens het interview.

Dilemma's
Ondanks alle voorbereiding en zelfopgelegde veiligheidsregels loop ik vaak tegen dilemma's aan. Wanneer is het bijvoorbeeld té gevaarlijk voor mij om ergens heen te gaan? Na de bomaanslag in Kunduz vorige week wilde ik direct weten wat er was gebeurd en rende ik er dus op af. Ik heb enkele minuten voor het opgeblazen gebouw gestaan. Was het wel zo veilig om daar te zijn, direct na de koranverbrandingen? Misschien niet.

Op een bom af rennen is vermoedelijk journalistiek instinct. Maar dat instinct moet ik soms beteugelen door mezelf de vraag te stellen: is het verhaal dat ik nu maak het waard mijn leven te wagen? Het antwoord is altijd nee, zal mijn familie en ook de hoofdredacteur van de Volkskrant zeggen. Toch is het niet zo simpel. Want als iedereen altijd nee zou zeggen, dan zouden Afghanistan-correspondenten überhaupt niet bestaan.

---einde reportage---

KADER: Genomineerd
Natalie Righton is deze week met haar artikelen over de Nederlandse politiemissie in Kunduz genomineerd voor een Tegel in de categorie Onderzoeksjournalistiek. De Tegel is de hoogste, jaarlijkse, onderscheiding voor journalisten en wordt op 16 april uitgereikt.

KADER: Stupid guy
Alle vrouwen in de VS en Europa lopen in een Pamela Anderson-badpak, drinken whisky en willen continu seks. Dat is zo'n beetje het beeld dat jongemannen in Afghanistan hebben. Mijn telefoonnummer geef ik bijna nooit aan anderen. Want daarna word ik vaak gestalkt door mannen die gerust vijftig keer per dag bellen. Deze mannen sla ik in mijn telefoon op als 'Stupid Guy'. Ik zit nu op 'Stupid Guy 21'.