• natalie02b

Goede acteurs in een slechte B-film

Geplaatst door op in Achtergronden

Nu er sprake van is dat de Nederlandse missie eerder stopt, maakt correspondent Natalie Righton de balans op. De agenten zijn tevreden, maar voor een veiliger Kunduz is een langdurige inzet nodig.

Tekst: Natalie Righton
Foto: Ton Koene (Nederlandse trainers begeleiden Afghaanse agenten in Kunduz)

Dit artikel werd op 15-12-2012 gepubliceerd in de Volkskrant

KUNDUZ – Als je arm bent, zoals de 45-jarige boer Salim Mohammad, dan ben je eigenlijk vogelvrij in de Afghaanse provincie Kunduz. Iedereen kan je wat aandoen, maar hij zal niet worden gestraft als hij rijk genoeg is om de rechters om te kopen. Je broer of vrouw kan worden vermoord. Je land kan worden ingepikt. ‘In Kunduz sta je er alleen voor. Als je wilt zorgen dat je hier niks overkomt, moet je veel geld, macht of een wapen hebben. Ik heb alledrie niet’, zegt Mohammad terwijl we stilstaan voor de ingang van de rechtbank van Kunduz.
Zijn relaas is exemplarisch voor hoe Afghanen de veiligheidssituatie in Kunduz inschatten: niet al te best. In de streek waar hij vandaan komt struinen tientallen gewapende bendes rond, heel soms gaan bommen van de Taliban af. ‘De politie kan ons hier niet beschermen, ze worden nota bene zelf aangevallen.’
Nederland probeert sinds anderhalf jaar de rechtstaat in Kunduz te verbeteren. Dat betekent: politieagenten opleiden die het veilig houden op straat. Daarnaast: aanklagers en rechters trainen die criminelen en terroristen opsluiten, nadat ze zijn bijgestaan door een nette advocaat. Ook: burgers wijzen op hun rechten. Het uiteindelijke doel is dat de inwoners van Kunduz hun overheid zodanig vertrouwen dat ze geen reden meer hebben om terug te verlangen naar de Taliban – het regime dat onderdak bood aan terroristen die het Westen aanvielen.
‘Is de Kunduz-trainingsmissie zinvol of volledig nutteloos?’ Het is een van de meest gestelde vragen als ik vertel dat ik al drie jaar woon en werk in Afghanistan en ook al zo’n twintig keer naar Kunduz toe ben gereisd. Als antwoord kan ik u helaas geen gemakkelijke quote aanbieden, zoals: missie mislukt, of: missie geslaagd. De waarheid is dat de missie deels niet en deels wel succesvol is. Er gaan veel dingen mis, ja, maar er gaan ook dingen goed.
Mijn conclusies over het nut van de missie onderbouwen met statistieken is onmogelijk, omdat uitgebreid bevolkingsonderzoek nog niet is gedaan in Kunduz. Ik loop zo’n 95 procent van mijn tijd zonder het leger rond in Kunduz, daar baseer ik mij op. Ik slaap daar in onooglijke hotels, ontbijt met Afghanen, loop rond op de markt, praat zonder wapen met stedelingen en boeren, met armen en rijken, hoog- en laagopgeleiden, mannen en vrouwen, jong en oud, en dan ook nog alle etnische groeperingen. Die mensen hebben mij in de anderhalf jaar dat Nederlanders nu in Kunduz werken verteld over hun zorgen, wat ze wel en niet goed vinden gaan. Het levert en paar interessante observaties op.
Ze zijn van belang omdat Nederland deze maand halverwege de termijn van haar missie is – in 2014 vertrekken we weer uit Kunduz. Afgelopen week bleek dat dit misschien al in 2013 gaat gebeuren, omdat de Duitsers dan vertrekken en Nederland van hen afhankelijk is voor de beveiliging van de missie.

Eerst het goede nieuws.
Afghaanse politieagenten zijn overwegend zeer positief over de trainingen van de Nederlanders. In de anderhalf jaar dat ik door de straten van Kunduz slenterde, kan ik mij niet één agent herinneren die zei: het is echt helemaal niks, laat die Nederlanders lekker ophoepelen met hun cursus. Integendeel. ‘De Nederlanders staan zij aan zij met ons. Ze komen naar onze werkplek toe om les te geven. Ze zijn niet zoals de Duitsers, die echt alleen maar op hun kamp blijven zitten’, zegt Mohammad Saleh, de baas van politiestation nummer 3 in Kunduz-Stad. Ik ken hem nu anderhalf jaar als een vrij kritische man. Maar hij is oprecht blij met de trainingen.
Ook Badruddin Aimaq van politiestation 1, die ik sinds begin 2011 regelmatig opzoek, is enthousiast over de trainingen. We ontmoetten elkaar vorige week op een drukke rotonde in Kunduz-Stad waar hij toezicht houdt op agenten die de buurt veilig houden: ‘ Mijn mannen weten door de trainingen beter hoe ze burgers moeten aanspreken, ze zijn vriendelijker. Auto’s doorzoeken en mensen fouilleren gebeurt nu veel professioneler. Ja die cursus is goed.’
Dit is ook te zien als ik bij wijze van uitzondering een dag meereis met het Nederlandse leger naar Ali Abad, om waar te nemen hoe trainers lesgeven aan Afghanen. Op een kruispunt voor de lokale politiepost, zo’n twintig minuten rijden van Kunduz-Stad, gaan Nederlanders staan naast Afghaanse politieagenten. Ze kijken toe hoe Afghanen een wegversperring maken en vervolgens auto’s aanhouden om ze te doorzoeken.
Trainer Andrea, met lange rode haren in een paardenstaart, geeft aanwijzingen. Hebben de politielessen volgens haar zin? ‘Ja’, zegt ze volmondig. Ik kijk over haar schouder en zie hoe een Afghaanse agent uiterst klungelig iemand fouilleert. Het is een van de eerste keren dat hij dit doet. Van een afstandje kijken tientallen gehurkte Afghaanse burgers nieuwsgierig toe hoe hij zijn werk doet. De politieman kijkt geconcentreerd. De meeste Afghanen hebben geen schooldiploma – vanwege de oorlog zijn veel scholen dicht. Ze leggen er daarom extra eer in dat ze nu een ‘echte cursus’ volgen en kijken uit naar een diploma-uitreiking, vertellen ze mij. Ze voelen zich ‘trots’.
Het is niet zomaar beleefdheid. Tijdens de praktijkles zie je vaak dat  agenten echt willen leren: zoals agent Zabiullah Hamdad (22): Hij heeft thuis op een A4-tje een plan getekend waar hij als groepsleider vandaag zijn mannen gaat neerzetten voor de voertuigcontrole.. ‘Ik leer veel over de tactieken van een politieagent. Bijvoorbeeld hoe je een wegversperring opzet en hoe je je moet terugtrekken tijdens gevechten.’

Angst voor geweld
De vraag is of de veiligheid op straat verbetert door al die gewaardeerde trainingen, een van de doelen van de Kunduz-missie. Defensie vindt van wel. Maar Afghanen die ik aanspreek zeggen er niet veel van te merken. Het imago van de politie is wel iets verbeterd – ze slaan minder dan voorheen – hoor ik sinds een halfjaar regelmatig van burgers. Maar de politie is nog steeds niet je beste vriend. En zeker geen vriend die in staat is om je te beschermen, vinden ze. Sterker, als je met burgers praat uiten ze juist angst voor meer geweld. Vooral krijgsheren vormen een groot gevaar voor de veiligheid op straat.
Even buiten Kunduz-Stad lopen zeker tienduizend krijgsheren en criminele bendes rond met raketwerpers en machinegeweren over hun schouders. In pick-up trucks en op brommers scheuren ze rond, stofsjaaltjes voor gezichten, zonnebrillen op,  zo zie je als je zonder het leger rondreist. Ze terroriseren regelmatig de bevolking, vertellen burgers. Vaak tonen die telefoonfilmpjes met wandaden: veel lijken.
De huidige politiemacht van Kunduz - met zo’n tweeduizend man - kan nauwelijks op tegen die grote groepen criminelen. Politiechef Andarabi zou de vorige chef Qatra afgelopen maand hebben vervangen omdat die laatste te weinig op kon tegen de krijgsheren.  In hartje centrum Kunduz-Stad woont één krijgsheer die in zijn eentje al meer strijders heeft dan de hele politiemacht van Kunduz bij elkaar. Een trip die ik zelf buiten de stad wil maken, annuleer ik op het laatste moment. Niet vanwege dreiging door Taliban, maar krijgsheren.
De meest lugubere uitwas van de wetteloosheid in Kunduz is momenteel: de meisjesmoorden. Dit jaar al zijn al zestien jonge vrouwen omgekomen, terwijl er vorig jaar maar één soortgelijke zaak was. Volgens de lokale vrouwenactivisten Nadera Geyah zijn krijgsheren begonnen met meisjes vermoorden, omdat ze te mondig werden. Ze gaan er vanuit dat ze niet worden opgepakt door de politie.  Burgers namen daarna zelf recht in eigen hand en gingen ook meisjes doden die een te grote mond hadden, zo stelt Geyah.
Die krijgsheren gaan de macht in 2014 - als de Nederlanders weggaan- waarschijnlijk helemaal overnemen, gokken burgers, als ik ze her en der aanspreek. Andere mogelijkheid: de Taliban nemen het over, niet per se een slechte optie in de ogen van (mannelijke) Afghanen.
Dan zijn er nog andere geweldincidenten die grote onrust veroorzaken in de stad. Recent nog ging een grote bom af in het midden van Kunduz-Stad en vond in het dorp Kanam een grote slachtpartij plaats. Om te schetsen hoeveel impact zoiets heeft op een gemeenschap: provincie Kunduz heeft ongeveer evenveel inwoners als Amsterdam. Recent vielen hier in één maand tijd honderd doden en gewonden door geweld. In Kunduz zeggen ze: het is hier niet veilig.
Mag je verwachten dat anderhalf jaar politietraining zorgt voor meer veiligheid op straat? En dan ook nog in een provincie waar grote problemen heersen zoals krijgsheerschap en eerwraak? Afghaanse politiemensen moeten veel langduriger worden getraind willen ze goed voor veiligheid van burgers kunnen zorgen. Misschien wel een generatie lang, beamen burgers als we er samen over filosoferen bij een kop thee bij hen thuis, op hun kantoor of in hun winkeltje. Maar dat is precies het probleem: de Nederlanders gaan binnenkort alweer weg. Voor meer training is geen tijd.

Geen CSI Miami
De nieuwe Nederlandse commandant in Kunduz, kolonel Roland de Jong, oogt ontspannen als ik tegenover hem zit op een bankje in de zon van het militaire kamp om te praten over de resultaten van anderhalf jaar Kunduz. Veel Afghaanse politieagenten hebben de afgelopen anderhalf jaar een opleiding gekregen, ook vrouwen, vertelt hij. Als Nederland vertrekt, blijven Afghaanse trainers achter. ‘We hebben niet de illusie dat Afghanen straks precies dezelfde opleiding gaan geven als wij. Maar het is winst dat de politie hier überhaupt mensen heeft die trainingen gaan geven’, zegt De Jong. De civiel vertegenwoordiger, Geoffrey van Leeuwen, benadrukt dat honderden Afghanen de afgelopen anderhalf jaar een alfabetiseringscursus volgden en dat ook advocaten en rechters een vaktraining kregen. Beiden verwachten niet dat in Kunduz een rechtstaat wordt opgebouwd van hetzelfde niveau als Nederland. ‘Het is hier geen CSI Miami, maar het niveau van omringende landen, zoals Tadzjikistan,  is misschien wel haalbaar’, aldus kolonel De Jong.
Ik ga weer de straat op om van Afghanen te horen of het rechtssysteem in Kunduz  inderdaad al een beetje is verbeterd - de tweede ambitie die Nederland heeft in Kunduz.  Zelf ben ik niet verbaasd om van een groepje mannen aan de rand van Kunduz-Stad te horen dat ze de Talibantijd niks vonden, maar hun justitiesysteem wel erg goed vonden. ‘Als je in Talibantijd iemand doodde, hakten ze de volgende dag je hoofd eraf. Dat was duidelijk. Op dit moment kan je als rijke moordenaar geld geven aan een rechter en dan kom je vrij’, zegt ambtenaar Abdul Rahman (42) terwijl we op een zandpaadje net buiten Kunduz-Stad praten. Rahman zal ‘blij’ zijn als de Taliban onderdeel gaan uitmaken van een nieuwe overheid.
Voor de ingang van de rechtbank van Kunduz hoor je dezelfde verhalen als ik met doorsnee Afghanen over het justitiesysteem in hun land. Als je als burger je recht wilt halen bij de overheid, moet je een ontzettend bureaucratisch, lang proces door (de behandeltijd van zaken loopt op tot tien jaar) en het is corrupt, is de algemene indruk. Op straat hoor ik dus dat Afghanen ook weinig tot niks merken van de Nederlandse investeringen in het rechtssysteem.
Politieagenten, rechters en advocaten zijn het zelf niet per se oneens met de kritiek dat het moeilijk is voor een burger in Kunduz om recht te krijgen als hem iets overkomt en dat er daarom soms een hang is naar de Talibantijd.
‘Burgers klagen vaak dat wij veel verdachten vrijspreken, dat klopt’, zegt rechter Ismael Yaqoob (27) in kleermakerszit op de grond van de traditionele vergaderruimte in Kunduz-Stad. ‘De reden is dat er meestal geen bewijzen worden gepresenteerd. Alleen maar geruchten. Volgens de wet moet ik een verdachte dan vrijspreken. In mijn ogen doe ik mijn werk dan juist goed.’ Volgens de rechter  weten agenten niet hoe ze bewijs moeten verzamelen en gaat het daarom vaak mis bij het veroordelen van een verdachte.
Nederland probeert dit te ondervangen door politie praktijkles te geven over het veilig stellen van bewijzen en een ‘plaats delict’. Sinds kort worden ook rollenspellen georganiseerd waarin politie, aanklagers, advocaten en rechters beter met elkaar leren samenwerken.
Advocaat Taj Mohammad Kakar ziet wel verbeteringen in het rechtssysteem van Kunduz, mede door cursussen van Nederlanders, maar benadrukt het ongeduld van burgers. ‘Iedereen die bij mij komt voor rechtsbijstand, denkt dat zijn zaak binnen twee dagen wordt opgelost. Maar we hebben inmiddels regels, er is tijd nodig om bewijs te verzamelen en te presenteren. Dat begrijpt niet iedereen.’

Langer investeren
Ook hier weer is de vraag legitiem: Mag je verwachten dat anderhalf jaar training en voorlichting geven aan juristen en burgers zorgt voor een beter functionerend rechtssysteem in Kunduz?
Volgens beide professionals kan zo’n missie van Nederlander wel zinvol zijn, maar dan moet je tien tot twintig jaar investeren. Pas dan zullen burgers in Kunduz de resultaten gaan merken. Het duurt lang voordat het vertrouwen van burgers in de overheid groeit.
Probleem in Kunduz: die tijd is er niet. Of hulpprojecten om de rechtstaat in Kunduz te versterken ook na 2013 of 2014 door Nederland gefinancierd gaan worden, is twijfelachtig. Want hoe gaan diplomaten controleren of de projecten goed worden uitgevoerd als er geen militaire bescherming meer voor hen is? Of wordt vertrouwd op Afghaanse controleurs of Nederlandse hulporganisaties? Dat is een discussie die nog steeds plaatsvindt onder diplomaten.
Vooral de groep hoger opgeleide vrouwen in Kunduz maakt zich ernstig zorgen wat er gaat gebeuren als de Nederlanders definitief verdwijnen. Een vrouwelijke parlementariër uit Kunduz uitte vorige week nog een noodkreet in de Volkskrant: ‘Laat ons niet in de steek!’.  Diplomaten proberen vrouwenactivisten als Nadera Geyah nu gerust te stellen: ‘We helpen jullie om de strijd tegen vrouwengeweld hoger op agenda te krijgen’. Maar wat kan je als diplomaat feitelijk doen als mondige vrouwen in Kunduz na het vertrek van Nederlanders te grazen genomen worden door krijgsheren? Zullen de dames in Kunduz durven blijven wonen?

Als ik in de auto terug reis van Kunduz naar hoofdstad Kabul – een reis van zo’n tien uur over wegen die soms door gevaarlijk gebied gaan - mijmer ik lang over het nut van de Kunduz-missie. Als ik alle gesprekken met Afghanen van de afgelopen anderhalf jaar op een rij zet, dan is de meest voor de hand liggende conclusie: Het heeft wel nut, mits je langdurig investeert. Drie jaar of nog minder investeren in het opbouwen van een rechtstaat is echt te weinig.
Als ik op straat in mijn Afghaanse soepjurk met hoofddoek mensen interviewde in Kunduz heb ik regelmatig gezien hoe Nederlanders in hun legervoertuigen voorbij kwamen. Op zo’n drie meter hoogte staken de hoofden van boordschutters uit de luiken van de Bushmasters. Inmiddels heb ik zo vier lichtingen militairen en diplomaten zien passeren. Ik keek naar die tank-achtige voertuigen en dacht dan vaak: jullie lijken wel goede acteurs in een slechte B-film.
Goede acteurs, omdat ze hun werk professioneel uitvoeren – of je het nou inhoudelijk met hun aanwezigheid eens bent of niet. Een slechte B-film, omdat het script dat is bedacht in Den Haag niet deugt. In dat script staat dat de missie maar drie jaar mag duren en dat agenten uit Kunduz niet mogen vechten. Het bevat nog meer regels die niet realistisch zijn in Afghanistan. De meeste goede acteurs zien zelf ook wel in dat het script niet deugt. Maar ze mogen er niks over zeggen. Want dan zijn ze hun baan kwijt. Een goede Nederlandse militair of diplomaat voert alleen maar uit wat de politiek in Den Haag heeft bedacht.
Pas over een paar jaar zullen we zien of iets van de Nederlandse trainingen is blijven hangen bij het volk van Kunduz. Of dat ze er een zooitje van hebben gemaakt. De gemiddelde inwoner van Kunduz zal op die vraag antwoorden: ‘Inshallah’. Als God het wil gaat het allemaal goed komen.

 

Gelabeld in: afghanistan kunduz