• natalie02b

Ik doe mijn hoofddoek af, het voelt als een bevrijding

Geplaatst door op in Reportages

Drie jaar lang berichtte correspondente Natalie Righton uit Afghanistan. Nu gaat ze weg, met pijn in het hart, maar ook met opluchting. Ze laat haar Afghaanse vrienden achter, maar er is ook veel dat ze niet zal missen.

Tekst: Natalie Righton
Foto: Ton Koene (Journalist Natalie Righton op pad met krijgsheren in Kunduz)
Dit artikel werd op 22 december 2012 gepubliceerd in de Volkskrant

Met een mengeling van opluchting en weemoed neem ik na drie jaar afscheid als Afghanistan-correspondent. Ik pak mijn koffers in en verlaat de regio die anderen Jihadistan noemen, maar die voor mij langzaamaan thuis is geworden. Ik woonde in een normaal huis in hoofdstad Kabul. Zonder bescherming van het leger. Ik deed voor de Volkskrant verslag van de oorlog tegen het terrorisme. Het was een avontuurlijk droombaan voor mij.

Ik had nooit verwacht dat ik ruim duizend dagen zou blijven. Ik had nooit verwacht dat ik hier vrienden zou maken en echt gelukkig zou zijn. Ik had nooit verwacht dat de gruwelijke dingen die ik heb gezien zo erg konden zijn.

Leven in de oorlog, waarom doe je dat? Het is een van de meeste gestelde vragen die ik kreeg als ik op verjaardagen in Nederland vertelde over mijn werk. Ik wilde als journalist getuige zijn van de oorlog tegen het terrorisme, omdat die ons leven zo heeft veranderd.

De angst voor terreuraanslagen en de islam nam na 11 september 2001 zulke grote proporties aan dat een nieuwe oorlog werd gerechtvaardigd. Een oorlog die al tienduizenden levens heeft gekost. Maar wordt de wereld er veiliger van? Wordt Nederland er veiliger van?

Daarnaast trok het avontuur, laat ik eerlijk zijn. Nooit met natte haren in de ochtendfile, nooit vervelende kantoorvergaderingen, geen 9 tot 5-baan. In plaats daarvan ontmoette ik op maandagmorgen krijgsheren bij wie ik in de pick-uptruck stapte om door de woestijn naar hun gebied te reizen, raketwerpers en machinegeweren over hun schouders.

Soms maakte ik zoveel mee op één ochtend dat ik er niet tegenop kon schrijven. Zo had ik vorige week zondag rond het middaguur al een Talibanstrijder geïnterviewd, een gruwelijke ontdekking gedaan over meisjesmoorden in de stad Kunduz en dames in de gevangenis opgezocht. Eventjes verlangde ik naar een Nederlandse zondagochtend, met een vers croissantje en een Volkskrant op schoot. Maar direct daarna dacht ik: ik houd juist van dit afwijkende leven. 'Het voelt alsof ik mijn leven twee keer sneller leef dan in Nederland', zei ik onlangs tegen een vriendin in Kabul. Dat ga ik heel erg missen.

Opluchting
En toch is er opluchting dat ik vertrek. Omdat er in de ochtend dat ik dit stuk schrijf al drie bommen in Afghanistan zijn afgegaan. Een is zo groot dat de ramen trillen in het huis van vrienden iets verderop. Een landmijn doodt tien kleine meisjes die hout sprokkelen in het oosten van het land. Ik denk niet: 'Wat erg'. Ik denk: 'Alweer?'

Ik voel me ongelofelijk opgelucht dat ik niet meer met grote regelmaat lijken ga zien of erover moet schrijven.

Wat ik ook niet ga missen: vrezen voor je eigen leven. Dat gebeurt Afghanen helaas nog vaker dan mij. Mijn ergste keer was in Kandahar, toen ik daar door een speling van het lot midden in de nacht in mijn eentje op het burgervliegveld landde. Als enige vrouw tussen honderden mannen met tulbanden in een Talibanbolwerk. Ik kwam er ongeschonden uit, met hulp van een Amerikaanse militair, maar soms kan ik nog angstig worden als ik aan die gebeurtenis terugdenk.

Ik zal het ook niet missen dat je in Afghanistan nauwelijks over straat kan zonder mannelijke begeleiding. Doe ik dat wel, dan word ik onherroepelijk lastiggevallen door Afghaanse jongemannen. Als westerse vrouw in Afghanistan ben je als een schaapje op een leeuwenfestival, grap ik wel eens. Het enige dat je kan doen om te voorkomen dat je wordt opgevreten, is zorgen dat je beschermleeuwen om je heen hebt lopen. De tweede optie is dat je als schaapje zodanig arrogant en zelfverzekerd door de troep met leeuwen loopt, dat de roofdieren verward raken en je niet aanvallen

Ik noem dit de truc van het 'derde geslacht'. De meeste Afghaanse mannen zien mij niet als 'echte vrouw' ben ik achter gekomen. Ik ben geen man, geen vrouw, maar iets er tussenin, zo legde een Afghaanse vriend eens uit. Om het zekere voor het onzekere te nemen behandelen de Afghaanse mannen mij maar als man. Mede daarom vallen ze mij niet in de eerste minuut al lastig. Staan ze me netjes te woord. Deze truc kan ik soms dagenlang volhouden, soms val ik na tien minuten al door de mand.

Wat ik evenmin ga missen: de constante discussies met Afghanen die beweren dat de islam de meest vrouwvriendelijke religie is. Of discussies met Afghaanse politici die zeker weten dat 'de Joden' achter alle ellende in hun land zitten.

Ook niet erg om te missen: het ritueel van koffie drinken met wéér een nieuwe lichting soldaten en diplomaten die is gearriveerd op het Nederlandse militaire kamp in Kunduz. Bij de eerste ontmoeting hebben ze altijd vooroordelen: dat ik erop uit ben om de politietrainingsmissie in een negatief daglicht te stellen. Het kost mij uren koffie drinken voordat ik de blik op hun gezicht zie veranderen: wacht eens even, dit was toch die enge mevrouw van de Volkskrant?

Weemoed
Weemoed voel ik ook. Niet alleen omdat het avontuurlijke leven dat ik samen met fotograaf Ton Koene zo lang leidde, nu grotendeels stopt. Maar ook omdat ik mij inmiddels vaak prettig voel in Afghanistan. Dit is de plek waar mijn bed staat, waar mijn boeken liggen, waar na elke reis een van mijn huisbewakers de deur open zwiept met de woorden: 'Welkom thuis!'

Afghanistan is het land waar mensen geen tijd hebben voor overbodige luxe. Hier geen stille tochten voor gestorven bultruggen, geen realityprogramma's met figuranten die eigenlijk niets te vertellen hebben, geen keuze uit 23 soorten toetjes. Er zijn hier gewoon geen toetjes.

In Afghanistan praten mensen bij de bushalte over essentiële dingen in het leven: hoe gaat het met je familie? De kinderen? Heeft iedereen genoeg te eten? Is iedereen veilig? Gezond?

Wat ik zeker ook ga missen is de oorlogshumor in Afghanistan. 'Zo, ga je die foto van mij maken voor het geval ik binnenkort word opgeblazen?', grapte een politiechef in Kunduz ooit toen Ton Koene hem fotografeerde. De man raakte kort daarna gewond bij een zelfmoordaanslag.

Ook met Nederlandse militairen, met wie ik toch af en toe op gespannen voet stond, heb ik soms vreselijk gelachen. Zoals met die ene kolonel, die mij op een stoepje in Kunduz vertelde dat hij niet onder zijn functienaam mag twitteren, omdat ze bij het ministerie in Den Haag bang zijn dat hij dan iets verkeerds opschrijft. Wel de verantwoordelijkheid over de levens van 350 man, maar niet mogen twitteren.

Missen ga ik ook: de roadtrips per auto van Kabul naar Kunduz door het prachtig besneeuwde Hindukush-gebergte. De bakker om de hoek, waar je voor 15 eurocent het lekkerste brood ter wereld koopt. De ongelofelijke gastvrijheid van Afghanen en de groene thee en lunches die je overal ongevraagd krijgt aangeboden. De verse kebab.

Missen zal ik de wonderlijke vriendschap tussen mij - een vrije westerse vrouw - en mijn tolk Hamza - de conservatieve sharia-aanhanger. Zijn eigen vrouw ziet hij als ondergeschikte die verplicht in een boerka loopt, maar mij noemt hij vrolijk 'my commander'. 'Jij bent van een andere cultuur, dus voor jou gelden andere regels.'

Ongelofelijk missen ga ik ook de gesprekken met L. en andere vriendinnen in Kabul. Het zijn avonden en dames die ik nooit meer zal vergeten. Vrouwen met ongelofelijk stoer werk. Ze maken soms in één week meer dingen mee dan de meeste mensen in een jaar.

En toch: ik moet hier weg. Als je stoer genoeg bent om naar Afghanistan toe te gaan, moet je op een gegeven moment ook stoer genoeg zijn om toe te geven dat het niet meer lukt om de batterij op te laden. Ik ben moe. Ontspannen gaat steeds lastiger omdat de oorlog onder mijn huid is gekropen. Er is een 9-jarig meisje dat niet meer uit mijn hoofd gaat. Zij stierf op de dag dat mijn supermarkt in Kabul werd opgeblazen, nu bijna twee jaar geleden.

Constant alert zijn, geen beveiligingsteam om je heen, maar zelf over je schouder kijken. Een radar die 24 uur per dag aanstaat. Het is genoeg geweest. Het veilige, rustige leven in Nederland, vrienden en familie: ze wachten op mij.

Schuldgevoel
Terwijl ik mijn koffers inpak, voel ik mij soms schuldig over mijn vertrek. Omdat ik terugga naar een veilig land, terwijl mijn vrienden hier in de oorlog achterblijven, in een land waar bijna niemand gelooft in een zonnige toekomst.

Een burgeroorlog dreigt en is op sommige plekken al uitgebroken. Het Afghaanse leger en de politie zijn nog veel te zwak om in 2014 zelf voor veiligheid te zorgen, hoezeer westerse militairen en politici dat ook ontkennen. Wie durft te blijven met zo'n vooruitzicht? Veel van mijn Afghaanse vrienden durven het niet.

Als mijn vertrek nadert, vragen sommigen aan mij hen te helpen met vluchten. Aan iedereen moet ik uitleggen dat er in Nederland geen overheidscorruptie heerst en dat er dus niets is wat ik kan doen om hun visumaanvraag te beïnvloeden. De meesten kijken vol ongeloof als ik dit vertel. Ik raad hen sterk af om illegaal naar Europa te komen. Hun leven zal een hel worden. Ik weet niet of ze dat wel geloven. Want wat is de hel? Voor hun gevoel leven zij er nu al middenin.

Ik maak me zorgen om mijn inmiddels goede vriend Habib, die achterblijft in Kabul. Toen ik hem drie jaar geleden leerde kennen, was hij pro-westers, zo blij met de Amerikaanse militairen die hem hadden bevrijd van de Taliban. Maar nu, duizend dagen later, merk ik dat zijn afschuw van westerse militairen groeit, omdat die soms onschuldige Afghanen doden. Tegelijk is hij het hartgrondig oneens met de methoden van de Taliban. Wat zal er met Habib gebeuren?

Mijn laatste week in Afghanistan is vreselijk dubbel. Met een brok in mijn keel neem ik afscheid van vriend Habib, tolk Hamza, mijn huisbewakers. Ik ontmoet vriendin L. in een 'westers' restaurant in Kabul. Ik reis er naartoe in mijn vaste taxi. Bij de ingang zie ik de bewakers met machinegeweren al staan. Ik word gefouilleerd op het bezit van wapens en explosieven, mijn tas wordt doorzocht. Ik ga drie stalen deuren door voordat ik echt in de eetzaal ben. Ik zoek een tafeltje uit. L. arriveert vijf minuten later, doet haar hoofddoek af terwijl ze op mij afloopt .

Ik word overvallen door weemoed. Hoe raar ons leven ook is, het heeft iets bijzonder avontuurlijks. We proosten met cola light, achter hoge muren met prikkeldraad. Verderop zitten haar privébewakers zich te vervelen. Ik heb een van de leukste gesprekken van mijn driejarige verblijf in Afghanistan.

Tijdens het etentje met L. en de avonden die volgen waarin ik andere dierbaren gedag zeg, word ik telkens heen en weer geslingerd tussen gevoelens van weemoed en opluchting.

De dag van vertrek komt onvermijdelijk. Met lood in mijn schoenen pak ik mijn koffers. Samen met fotograaf Ton Koene wurm ik mij langs tien controleposten op het vliegveld. Bewakers met machinegeweren controleren mijn tassen en lijf weer op wapens en explosieven. Ik heb lichte angst: alsjeblieft, laat toch niet het laatste vliegtuig dat ik hier neem opgeblazen worden. Laat het goed gaan.

Terwijl ik bij de incheckbalie sta, lees ik op mijn mobiel het nieuws dat de Britten zich versneld gaan terugtrekken uit Afghanistan. Het zal niet lang meer duren voordat alle westerse militairen weg zijn. Ik krijg mijn instapkaart. Ton ook. Daar gaan we. Schoudertas en laptop door de scanner. Ik doe mijn hoofddoek af. Het voelt als een bevrijding.

Dit is het laatste artikel van Natalie Righton als Afghanistan-correspondent. Zij begint per 1 februari als parlementair verslaggever voor de Volkskrant in Den Haag. Ze gaat schrijven over defensie, buitenlandse zaken en ontwikkelingssamenwerking. Righton schrijft aan een boek over haar ervaringen in Afghanistan: Duizend dagen extreem leven, dat in april 2013 verschijnt bij uitgeverij Lemniscaat.

Gelabeld in: afghanistan kunduz